Hinsz-orgel Nicolaïkerk Appingedam

Hinszorgel Appingedam

Naar wat de redenen voor stads- en kerkbestuurders van Appingedam zijn geweest Albertus Anthoni Hinsz (1704-1785) de uitvoerige werkzaamheden aan het orgel in de Nicolaïkerk uit te laten voeren kunnen we, bij gebrek aan documenten, slechts gissen. Dat de keus op Hinsz viel is niet verwonderlijk: hij was de orgelmaker, die een groot deel van de 18e eeuw domineerde in de noordelijke provincies. De schaarse archivalia spreken van het "repareren van het orgel"; eigenlijk werd dus het bestaande orgel ingrijpend gewij­zigd. Dat orgel (in 1638-39 door Daniël Baders begonnen en afgemaakt door Anthonius Waelckens uit Bedum) zal toch niet in die ruim honderd jaar al versleten zijn geweest. Veeleer moeten we denken aan veranderde muzikale eisen, die aan orgelmuziek en orgel­speelkunst werden gesteld. Die stonden in de eerste helft van de 18e eeuw in de stad Groningen en van daaruit ook in de Ommelanden duidelijk onder invloed van de muziek- en orgelcultuur in Noord-Duitsland en met name die in Hamburg.

Hamburg was de vrije stad, waar de opera bloeide, de kerkmuziek op hoog peil stond en het orgel in de instrumentale openbare muziek een voorname plaats innam. De komst van orgelbouwers als Arp Schnitger (1648-1719) na 1692 en A. A. Hinsz in 1728 en de organist/theoreticus Jacob Wilhelm Lustig (1706-1796) ook in 1728 als Martini-organist naar Groningen, hebben hun uitwerking niet gemist. De behoefte aan een orgel, dat niet alleen voor gemeentezangbegeleiding geschikt was, maar waarop ook, op representatieve wijze, concerterende muziek, geleerde fuga's en allerlei variatie- en dansreeksen konden worden uitgevoerd, werd steeds sterker gevoeld. Deels werd deze muziek geïmproviseerd, deels werd bestaande muziek voor andere instrumenten bewerkt, minder vaak nieuw gecompo­neerd.

Het Baders/Waelckens-orgel in Appingedam, wellicht met lastige springladen uitgevoerd, in de oude middentoonstemming gestemd, met geringe klavieromvang (F-a2), kort octaaf zal niet meer aan de nieuwe eisen hebben kunnen voldoen. Hinsz creëerde in 1744 met zijn medewerkers G. Klambeek en Frans C. Schnitger, zijn stiefzoon, een nieuw orgel, dat beter aan de eisen van de muziek in een kleinsteedse cultuur kon voldoen. Veel van het pijpwerk van het vorige orgel (waarvan de dispositie ons niet bekend is) nam hij over, enerzijds uit kostenbesparing op het dure metaal, anderzijds uit de waardering, die zowel de orgelmakers Schnitger als Hinsz hadden voor het werk van hun voorgangers. In veel van hun orgels werd ouder pijpwerk opgenomen. De dispositie van het Damster orgel bevatte zodoende een aantal on-Hinsz-achtige elementen: een Siflet, Dulciaan, Cimbel en een pedaaltong­werk Cornet op het Manuaal (hoofdwerk) en een Quintadena 4 vt en een Regaal op het Rugpositief.

Toch werd het een, gezien de grootte van de kerk, bescheiden orgel; niet in klankschoon­heid maar in omvang. De beide goed bezette handklavieren hadden best door een vrij pedaal van zo'n 8 à 10 stemmen kunnen worden vergezeld en ondersteund. Geldgebrek zal wel mede oorzaak zijn geweest van het achterwege laten daarvan.

Het fraaie houtsnijwerk werd uitgevoerd door de veel met Hinsz samenwerkende beeldhouwer Casper Struiwig (1698-1747). Het orgel werd door de organisten J. W. Lustig uit Groningen en Hero Ipes uit Zandeweer gekeurd; de orgelmaker kreeg veel lof toegezwaaid. In de 19e eeuw (vooral in 1869 en 1876) zijn door de orgelmaker Petrus van Oeckelen uit Haren wijzigingen aan het orgel uitgevoerd, vooral aan de windvoorziening en aan de dispositie van het Rugpositief, die het orgel moesten aanpassen aan de veranderde smaak van die tijd.

Na de grote restauratie van de kerk, die in 1954 gereed kwam, werd het orgel in 1967­1970 gerestaureerd en in nagenoeg oorspronkelijke staat teruggebracht, door de Fa. Gebr. Van Vulpen uit Utrecht, onder advies van Lambert Erné. Recentelijk werden stemming en winddruk enigszins gecorrigeerd.

Het grote aantal door Hinsz hergebruikte pijpen maakt, dat het orgel geschikt is voor zowel 17e als 18e eeuwse muziek.

De dispositie (die vrijwel overeen komt met de opgave van N. A. Knock uit 1788, de oud­ste opgave waarover we beschikken) luidt, volgens de registeropschriften en voorzien van enige opmerkingen:

Manuaal (C-c3)

   

Bourdon

16 vt

C-H Van Vulpen; rest Hinsz. geheel metaal

Prestant

8 vt

front Van Oeckelen; binnenpijpen Hinsz

Holfluit

8 vt

C-H Hinsz; c-h Van Oeckelen; discant van vóór 1744

Octaav

4 vt

vóór 1744

Holpyp

4 vt

vóór 1744

Octaav

2 vt

vóór 1744

Quint

1½ vt

C-c2 Van Oeckelen; rest Van Vulpen

Mixtuuir

4 st bas, 5-6 st discant

Hinsz; oud metaal

Cimbel

3 st

Van Vulpen

Trompet

8 vt

Van Vulpen: Leens-kopie

Dulciaan

8 vt

C-H Hinsz; rest van vóór 1744

Cornet

2 vt

(C-d1); vóór 1744

Rugpositiv (C-c3)

   

Fluit duis

8 vt

Hinsz

Prestant

4 vt

C-gis Van Oeckelen; rest Hinsz

Quintadena

4 vt

bas divers; discant Van Vulpen

Superoctaav

2 vt

Hinsz en vóór 1744

Fluit

2 vt

Hinsz en vóór 1744

Siflet

1½ vt

Van Vulpen

Sexquialter

2-3 st

Van Vulpen

Trechterregaal

8 vt

Van Vulpen

Pedaal (C-d1) aangehangen aan Manuaal

   

Schuifkoppel Rugpositiv aan Manuaal

 

Tremulant

 

Afsluitventyl tot Manuaal

 

Afsluitventyl tot Rugpostiv

 

Tekst: A. Rots, Garrelsweer, cantor-organist Nicolaïkerk van de Protestantse Gemeente Appingedam (1982 -2012)  

© College van kerkrentmeesters Appingedam 1994

Orgellinks:

startpagina dochter http://kerkorgel.pagina.nl

Koninklijke Nederlandse Organisten Vereniging (KNOV) http://www.hetorgel.nl